SEO: Hoe onze Bart een Bartje werd…

Vroeger was ik Bartje. Da’s logisch, dat gaat vanzelf over. Maar mensen bleven me Bartje noemen, ook al groeide ik over de 1 meter 80. Ik heb dat nooit erg gevonden, want als mensen je Bartje noemen kunnen ze onmogelijk kwaad op je worden.

beeld bartje

Maar zakelijk was ik natuurlijk Bart. Als zakelijke mensen je Bartje noemen kunnen ze je onmogelijk serieus nemen. Laat staan je personeel. In mijn Adrenaline-tijd was het dus Bart Meijer, copywriter, creatief directeur. DGA, partner en nog meer hotseflots.

Directeur ben ik al jaren niet meer en bovendien is het voor mij als broodschrijver en zelfstandige zonder personeel niet meer belangrijk hoe ik heet, maar hoe vindbaar ik ben via Google. En dan kom je er opeens achter dat er erg veel Bart Meijers zijn. Op straat kom ik ze nooit tegen maar ze zijn er dus in die mate dat ze mij ondersneeuwen in de zoekresultaten. Geen goede reclame als je werk voor een substantieel deel bestaat uit het beter vindbaar maken van opdrachtgevers op internet.

Bartje bovenaan in Google

Zo is er Bart Meijer, een presentator van het Klokhuis en andere programma’s. Dat ik hem vaak gezien moet hebben maar me geen gezicht bij hem kan voorstellen, toont wel hoe ik over deze Gooise dweil denk. Een vervuiler van de Google-resultaten.

En dan is er die andere Bart Meijer, medisch journalist. Hoewel zijn kennis hem niet heeft kunnen behoeden voor de sterfelijkheid leven zijn artikelen nog voort op de eerste pagina van Google.

Er is nog een violist en een Delftse ingenieur die mijn naam delen. Grappig, als klein knulletje speelde ik viool en was ik behoorlijk bèta. Bij mij is dat er niet uitgekomen, bij mijn naamgenoten dus wel.

Vandaar deze herdoop tot Bartje. Niet uit vrije wil maar uit praktische en commerciële overwegingen. Want Bartje Meijer staat wél hoog in Google. En nog iets heel anders: als je haren grijzer beginnen te worden moet je alles aangrijpen om jezelf jong te blijven voelen, toch?

 

Copywriter op geheime missie

Nu de eerste Golfoorlog alweer ruim 25 jaar geleden plaats vond, acht ik mij niet meer gehouden aan mijn geheimhoudingsplicht. In die dagen was ik namelijk copywriter met een geheime missie, mijn opdrachtgever: het Ministerie van Economische Zaken.

Saddam Hoessein was Koeweit binnengevallen, Amerikaanse troepen trokken zich samen voor een invasie en CNN bracht alle spanningen live de huiskamer in. Op zulke momenten denkt er in Den Haag gelukkig altijd iemand aan de economische consequenties: de olieleveranties kwamen in gevaar met hoge olieprijzen en economische teloorgang als gevolg!

Oliecrisis

De Haagse bestuurders liep de vorige oliecrisis nog dun door de broek, dus moest er snel gehandeld worden. Enerzijds werden overal ter wereld partijen olie opgekocht om de strategische voorraden in de Rijnmond te versterken. Anderzijds was het zaak om de burgers de ernst van de situatie in te laten zien en te manen tot zuinig energieverbruik: hiervoor moest een voorlichtingscampagne worden gemaakt.

oliecrisis copywriterAls copywriter-in-de-leer bij Frans Lavell mocht ik meedenken en meeschrijven. Al snel bedachten we dat crisiscommunicatie er ook als crisiscommunicatie mocht, nee móest uitzien. Benzinebonnen uit 1973 en verlaten tankstations als dreigende toekomstbeelden, koppen in dikke crisisletters, advertenties die onder grote tijdsdruk in elkaar waren geflanst, dat idee. Het tekstuele priegelwerk (de zogenaamde long copy) was als junior mijn pakkie-an.

Geheimhouding

We mochten niemand iets over deze opdracht vertellen. We moesten tekenen voor geheimhouding. Om vakgenoten niet wijzer te maken werden besprekingen louter buiten kantoortijden gehouden. Er werd een bellijst opgesteld voor als er snelle actie nodig was. Nu liggen onze nummers bij minister Andriessen op het nachtkastje, zei Frans Lavell.

Voor de inhoudelijke afstemming van mijn teksten had ik contact met de account manager van reclamebureau Prins, Meyer, Stamenkovic, Van Walbeek/Young and Rubicam (arme telefoniste). Daarvoor moest ik me op onchristelijk vroege tijden vervoegen in de statige Frans van Mierisstraat. Dan voelde me ik als een agent op een geheime missie. Mijn koffertje met tekstvoorstellen stevig tegen me aangedrukt, in het vroege ochtendlicht stappend door de straten van slapend Amsterdam-Zuid.

Na wat tekstwijzigingen was de campagne klaar voor de presentatie die middag bij Economische Zaken. Mijn werk zat er op. Buiten was de stad inmiddels ontwaakt, de trams reden en ook op het kantoor van Lavell was de dag begonnen. Ik stapte de tram in en zocht mijn plek. Ik voelde mij meer dan bijzonder, uitverkoren haast. Ik wist dat ik er toe deed.

Redder des vaderlands

Zien jullie het dan niet aan me? Jullie mensen in de tram, op jullie daagse gang naar werk, school, elders. Zien jullie niet dat hier iemand zit met een geheime missie. Dagen en nachten heeft ie zitten zwoegen, écht zitten zwoegen, om de natie – jullie dus – voor chaos en armoe te behoeden? Iemand moet dat toch zien?!?!

In de tram slaperige studenten, forenzen, scholieren, moeders. Tegenover me zit een allochtone mevrouw met een kind dat niet helemaal goed is. Bij de Wiegbrug stap ik de tram uit. Twee grote ogen in een waterig pannekoekengezicht staren me na. En dan weet ik, net als Reve: Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.

Naschrift

Toen puntje bij paaltje kwam en de Amerikanen Irak binnenvielen, daalde de olieprijs alleen maar. Er was olie genoeg in de wereld, dus bleef onze geheime campagne ‘op de plank’. Maar spannend was het wel.